Vertaling van leven

Inhoud:

Nederlands
Spaans
leven {ww.}
vivir

wij leven
jullie leven
zij leven

nosotros vivimos
vosotros vivís
ellos/ellas viven
» meer vervoegingen van vivir

Leven en laten leven.
Vive y deja vivir.
Ik heb geleerd te leven zonder haar.
Aprendí a vivir sin ella.
herrie [v], lawaai, leven, ophef, rumoer, kabaal {zn.}
ruido [m] (el ~)
Maak geen lawaai.
No hagáis ruido.
Hij klaagde over de herrie.
Él se quejó del ruido.
hachje [o], leven {zn.}
vida [v] (la ~)
Dat is het leven.
La vida es así.
Het leven gaat verder.
La vida continúa.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Spaans

We leven in vrede.

Vivimos en paz.

Zoek een leven, man.

Búscate una vida, hombre.

Het leven is vreemd.

La vida es extraña.

Twintig families leven hier.

Veinte familias viven aquí.

Ze leven in armoede.

Ellos viven en la pobreza.

Het leven is oneerlijk.

La vida es injusta.

Het leven is kort.

La vida es corta.

Het leven is oneerlijk.

La vida es injusta.

Hij leidde een zondig leven.

Él llevó una vida de vicios.

Vissen leven in het water.

Los peces viven en el agua.

Mijn leven was in gevaar.

Mi vida estaba en peligro.

Ik wil mijn leven veranderen.

Quiero cambiar de vida.

We hebben hem leven gevonden.

Le encontramos con vida.

Zijn leven is in gevaar.

Su vida está en peligro.

Ik heb een geweldig leven.

Tengo una vida muy buena.


Gerelateerd aan leven

herrie - lawaai - ophef - rumoer - kabaal - hachje