Vertaling van slapen
wij slapen
jullie slapen
zij slapen
nosotros dormimos
vosotros dormís
ellos/ellas duermen
» meer vervoegingen van dormir
Voorbeelden in zinsverband
Ik moet gaan slapen.
Tengo que irme a dormir.
Ik wil slapen.
Quiero dormir.
Ik probeer te slapen.
Estoy intentando dormir.
Vandaag moeten we buiten slapen.
Hoy tenemos que dormir afuera.
Ik kon niet slapen door mijn tandpijn.
El dolor de dientes no me dejó dormir.
Op een tapijt slapen is geweldig.
Dormir en una alfombra es genial.
Hij gaat slapen met het licht aan.
Él se duerme con las luces prendidas.
Ik kon de hele nacht niet slapen.
Yo no pude dormir la noche entera.
Hoe laat gaat ge gewoonlijk gaan slapen?
¿A qué hora acostumbras a acostarte?
Laat de hond niet op ons bed slapen.
No dejes que el perro duerma en nuestra cama.
Het jongetje lag in zijn bed te slapen.
El niño estaba durmiendo en la cama.
"Slapen vrienden met hun vrienden en vermoorden ze daarna?" vroeg Dima terug.
–¿Acaso los amigos se acuestan con amigos y luego los matan? –preguntó Dima a su vez.
Je kan maar beter het licht uitdoen voordat je gaat slapen.
Más te vale apagar la luz antes de dormir.