Vertaling van uitkrijgen
Inhoud:
Nederlands
Spaans
afdoen, afleggen, afzetten, uitdoen, uitkrijgen, uittrekken {ww.}
sacar
quitar
quitar
ik zal uitkrijgen
jij zult uitkrijgen
hij/zij/het zal uitkrijgen
yo sacaré
tú sacarás
él/ella sacará
» meer vervoegingen van sacar