Vertaling van leren
wij leren
jullie leren
zij leren
nous apprenons
vous apprenez
ils/elles apprennent
» meer vervoegingen van apprendre
wij leren
jullie leren
zij leren
nous apprenons
vous apprenez
ils/elles apprennent
» meer vervoegingen van apprendre
wij leren
jullie leren
zij leren
nous apprenons
vous apprenez
ils/elles apprennent
» meer vervoegingen van apprendre
Voorbeelden in zinsverband
Ik wil graag Frans leren.
Je veux apprendre le français.
Niemand is te oud om te leren.
Tu n'es pas trop vieux pour apprendre.
Ik hou niet van onregelmatige werkwoorden leren.
Je n'aime pas apprendre les verbes irréguliers.
Russisch is erg moeilijk te leren.
Le russe est très difficile à apprendre.
Blij u te leren kennen, Ken.
Enchantée de te connaître, Ken.
Ik heb haar ERG goed leren kennen.
J'ai vraiment BIEN fait sa connaissance.
Ge moet leren uit uw fouten.
Tu dois apprendre de tes erreurs.
Tom heeft nog veel te leren.
Tom a plein de choses à apprendre
Als ik jou was, zou ik harder leren.
Si j'étais vous, je travaillerais avec davantage d'application.
Het is leuk om een vreemde taal te leren.
Apprendre une langue étrangère est amusant.
Het is nooit te laat om te leren.
Tu n'es pas trop vieux pour apprendre.
Het is leuk om een vreemde taal te leren.
Apprendre une langue étrangère est amusant.
Hij is naar Amerika gegaan om Engels te leren.
Il est allé aux États-Unis d'Amérique pour étudier l'anglais.
Hij concentreerde zich op het leren van voorzetsels.
Il s'est concentré sur l'étude des prépositions.
Heb je 'm? Je moet een vreemde taal leren.
Tu vois ? Tu dois étudier une langue étrangère.