Vertaling van uitleggen

Inhoud:

Nederlands
Frans
beduiden, toelichten, uiteenzetten, uitleggen, verklaren {ww.}
expliquer 

ik zal uitleggen
jij zult uitleggen
hij/zij/het zal uitleggen

j'expliquerai
tu expliqueras
il/elle expliquera
» meer vervoegingen van expliquer

Ik kan het verschil tussen die twee niet uitleggen.
Je ne peux expliquer la différence entre ces deux-là.
Als je me laat spreken, dan kan ik alles uitleggen.
Si vous m'autorisez à parler, je peux tout expliquer.
duiden, interpreteren, uitleggen, verklaren, vertolken {ww.}
interpréter 

ik zal uitleggen
jij zult uitleggen
hij/zij/het zal uitleggen

j'interpréterai
tu interpréteras
il/elle interprétera
» meer vervoegingen van interpréter

oprekken, uitbreiden, uitleggen, verruimen, verwijden {ww.}
amplifier 
agrandir 

ik zal uitleggen
jij zult uitleggen
hij/zij/het zal uitleggen

j'amplifierai
tu amplifieras
il/elle amplifiera
» meer vervoegingen van amplifier

beduiden, duidelijk maken, uitleggen, verhelderen, verklaren {ww.}
expliquer 
développer 

ik zal uitleggen
jij zult uitleggen
hij/zij/het zal uitleggen

j'expliquerai
tu expliqueras
il/elle expliquera
» meer vervoegingen van expliquer

doortrekken, rekken, uitleggen, uitrekken, uittrekken, verlengen {ww.}
prolonger 
allonger 

ik zal uitleggen
jij zult uitleggen
hij/zij/het zal uitleggen

je prolongerai
tu prolongeras
il/elle prolongera
» meer vervoegingen van prolonger

De stad wil de weg verlengen.
La ville veut prolonger la route.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Frans

Ik zal het aan hem uitleggen.

Je la lui expliquerai.

Ik kan het ook niet uitleggen.

Je ne peux pas l'expliquer non plus.

Ik kan het verschil tussen die twee niet uitleggen.

Je ne peux expliquer la différence entre ces deux-là.

Als je me laat spreken, dan kan ik alles uitleggen.

Si vous m'autorisez à parler, je peux tout expliquer.

Ik weet niet hoe ik het moet uitleggen.

Je ne sais pas comment l'expliquer.

De leraar zal ons de betekenis van het woord uitleggen.

L'instituteur nous expliqua la signification du mot.