Vertaling van varen

Inhoud:

Nederlands
Frans
varen {ww.}
naviguer 

wij varen
jullie varen
zij varen

nous naviguons
vous naviguez
ils/elles naviguent
» meer vervoegingen van naviguer

varen [v] {zn.}
fougère  [v] (la ~)
gaan, karren, rijden, varen {ww.}
aller 
se déplacer 
aller en véhicule

wij varen
jullie varen
zij varen

nous allons
vous allez
ils/elles vont
» meer vervoegingen van aller

Ik moet gaan.
Je devrais y aller.
Ik moet gaan slapen.
Je dois aller dormir.

Gerelateerd aan varen

gaan - karren - rijden