Vertaling van vroeg

Inhoud:

Nederlands
Frans
pril, vroeg, vroegtijdig {bn.}
hâtif 
précoce 
tijdig, vroeg {bw.}
de bonne heure 
tôt 
vragen {ww.}
demander 
poser une question 

ik vroeg
jij vroeg
hij/zij/het vroeg

je demandais
tu demandais
il/elle demandait
» meer vervoegingen van demander

Mag ik je iets vragen?
Puis-je vous poser une question ?
Eigenlijk zou ik het moeten vragen, hè?
Je devrais demander, non ?
inroepen, verzoeken, vragen, aanvragen {ww.}
demander 
prier 

ik vroeg
jij vroeg
hij/zij/het vroeg

je demandais
tu demandais
il/elle demandait
» meer vervoegingen van demander

Hij kwam ons vragen hem te helpen.
Il vient nous prier de l'aider.
Je moet hem om advies vragen.
Tu devrais lui demander conseil.
inviteren, noden, uitnodigen, vragen {ww.}
inviter 

ik vroeg
jij vroeg
hij/zij/het vroeg

j'invitais
tu invitais
il/elle invitait
» meer vervoegingen van inviter



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Frans

Mijn vader staat vroeg op.

Mon père se lève tôt.

Hij vroeg om mijn raad.

Il m'a demandé conseil.

Hij staat niet vroeg op.

Il ne se lève pas tôt.

Tom vroeg Mary waar de hond was.

Tom a demandé à Mary où était le chien.

Ze vroeg mij het venster te openen.

Elle me dit, ouvre la fenêtre.

Vroeg opstaan is goed voor de gezondheid.

Se lever tôt est bon pour la santé.

Ze vroeg me hoeveel talen ik sprak.

Elle me demanda combien de langues je parlais.

Je moet vroeg naar bed gaan.

Vous devriez aller tôt au lit.

Hij beloofde me om vroeg te komen.

Il m'a promis qu'il viendrait tôt.

Zij vroeg hem haar te trouwen.

Elle lui a demandé de l'épouser.

Ze kan hier zo vroeg niet zijn.

Elle ne peut pas être ici aussi tôt.

Ik vroeg Tom het raam te openen.

J'ai demandé à Tom d'ouvrir la fenêtre.

Tom vroeg Mary hoeveel geld ze had.

Tom a demandé à Mary combien d'argent elle avait sur elle.

Ze vroeg waar ik naartoe ging.

Elle me demanda où j'allais.

Ik vroeg aan mijn leraar wat ik nu moest doen.

J'ai demandé à mon institutrice ce que je devais faire ensuite.


Gerelateerd aan vroeg

pril - vroegtijdig - tijdig - vragen - inroepen - verzoeken - aanvragen - inviteren - noden - uitnodigen