Vertaling van wonen
wij wonen
jullie wonen
zij wonen
nous habitons
vous habitez
ils/elles habitent
» meer vervoegingen van habiter
Voorbeelden in zinsverband
Waar wonen jullie allemaal?
Où vivez-vous tous ?
Ze wonen in de buurt.
Ils vivent à proximité.
In Alaska wonen miljoenen wilde dieren.
Des millions d'animaux sauvages vivent en Alaska.
Wij wonen in de Verenigde Staten.
Nous vivons aux États-Unis.
Wonen er veel mensen in jouw stad?
Est-ce que la ville où vous habitez est très peuplée ?
We wonen dicht bij het station.
Nous habitons près de la gare.
Ik zou graag in Frankrijk wonen.
J'aimerais habiter en France.
We wonen in de buurt van een grote bibliotheek.
Nous résidons à proximité d'une grande bibliothèque.
Het is onmogelijk op dat eiland te wonen.
Il est impossible de vivre sur cette île.