Vertaling van leren tas
Inhoud:
Nederlands
Italiaans
leren, aanleren {ww.}
imparare
wij leren
jullie leren
zij leren
noi impariamo
voi/Voi imparate
loro/Loro imparano
» meer vervoegingen van imparare
Ik wil leren zwemmen.
Voglio imparare a nuotare.
Hij wil leren koken.
Vuole imparare a cucinare.
bijbrengen, instrueren, leren, scholen {ww.}
instruire
insegnare
insegnare
wij leren
jullie leren
zij leren
noi insegnamo
voi/Voi insegnate
loro/Loro insegnano
» meer vervoegingen van insegnare
afleren, vergeten, verleren {ww.}
dimenticare
wij leren af
jullie leren af
zij leren af
noi dimentichiamo
voi/Voi dimenticate
loro/Loro dimenticano
» meer vervoegingen van dimenticare
Ik kan zijn vriendelijkheid niet vergeten.
Non posso dimenticare la sua gentilezza.
afleren, verleren {ww.}
disimparare
wij leren af
jullie leren af
zij leren af
noi disimpariamo
voi/Voi disimparate
loro/Loro disimparano
» meer vervoegingen van disimparare