Vertaling van aanlappen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
aanpraten, aanlappen, opsolferen, aansmeren {ww.}
aanpraten
aanlappen
opsolferen
aansmeren {ww.}

ik zal aanlappen
jij zult aanlappen
hij/zij/het zal aanlappen

ik zal aanpraten
jij zult aanpraten
hij/zij/het zal aanpraten
» meer vervoegingen van aanpraten



Gerelateerd aan aanlappen

aanpraten - opsolferen - aansmerenverkopen