Vertaling van alledaags

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
alledaags, grof, ordinair, plat, vulgair {bn.}
alledaags
grof
ordinair
plat
vulgair {bn.}
afgezaagd, alledaags, banaal, gewoontjes, nietszeggend, plat {bn.}
afgezaagd
alledaags
banaal
gewoontjes
nietszeggend
plat {bn.}
alledaags, door-de-weeks, doordeweeks, gewoontjes, gewoon {bn.}
alledaags
door-de-weeks
doordeweeks
gewoontjes
gewoon {bn.}
daags, alledaags, dagelijks {bn.}
daags
alledaags
dagelijks {bn.}
dagelijks, alledaags {zn.}
dagelijks
alledaags {zn.}
Er sterven dagelijks mensen.
Er sterven dagelijks mensen.
Er sterven dagelijks goede mensen.
Er sterven dagelijks goede mensen.


Gerelateerd aan alledaags

grof - ordinair - plat - vulgair - afgezaagd - banaal - gewoontjes - nietszeggend - door-de-weeks - doordeweeks - gewoon - daags - dagelijksduf - courant