Vertaling van automobiel

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
auto [m], automobiel [m] {zn.}
auto [m]
automobiel [m] {zn.}
Heb je een auto?
Heb je een auto?
De auto bleef versnellen.
De auto bleef versnellen.
auto [m] (de ~), wagen [m] (de ~), automobiel [m] (de ~) {zn.}
auto [m] (de ~)
wagen [m] (de ~)
automobiel [m] (de ~) {zn.}
Hij heeft een auto.
Hij heeft een auto.
Deze auto is snel.
Deze auto is snel.


Gerelateerd aan automobiel

auto - wagenmotorrijtuig - autoradio - autotelefoon