Vertaling van betuttelen
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
betuttelen {ww.}
betuttelen {ww.}
ik betuttel
jij betuttelt
hij/zij/het betuttelt
ik betuttel
jij betuttelt
hij/zij/het betuttelt
» meer vervoegingen van betuttelen
bedillen, ringeloren, betuttelen {ww.}
bedillen
ringeloren
betuttelen {ww.}
ringeloren
betuttelen {ww.}
ik bedil
jij bedilt
hij/zij/het bedilt
ik bedil
jij bedilt
hij/zij/het bedilt
» meer vervoegingen van bedillen