Vertaling van eigenlijk

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
eigenlijk {bw.}
eigenlijk {bw.}
eigenlijk, om de waarheid te zeggen, tenslotte, welbeschouwd {bw.}
eigenlijk
om de waarheid te zeggen
tenslotte
welbeschouwd {bw.}
eigenlijk {bw.}
eigenlijk {bw.}
eigenlijk, au fond, aufond, de facto, feitelijk, ipso facto, realiter {bw.}
eigenlijk
au fond
aufond
de facto
feitelijk
ipso facto
realiter {bw.}
echt, eigenlijk, heus, waar, waarachtig {bn.}
echt
eigenlijk
heus
waar
waarachtig {bn.}
werkelijk, bestaand, eigenlijk, existent, feitelijk, fysiek, waarachtig, effectief, natuurlijk, reëel {bn.}
werkelijk
bestaand
eigenlijk
existent
feitelijk
fysiek
waarachtig
effectief
natuurlijk
reëel {bn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Waar woont gij eigenlijk?

Waar woont gij eigenlijk?

Wat betekent het eigenlijk?

Wat betekent het eigenlijk?

Eigenlijk is het uw fout.

Eigenlijk is het uw fout.

Susan is eigenlijk je halfzus.

Susan is eigenlijk je halfzus.

Eigenlijk zou ik het moeten vragen, hè?

Eigenlijk zou ik het moeten vragen, hè?

Hij is eigenlijk niet de manager.

Hij is eigenlijk niet de manager.

Ik moet eigenlijk op school zijn.

Ik moet eigenlijk op school zijn.

Eigenlijk kan hij niet goed zwemmen.

Eigenlijk kan hij niet goed zwemmen.

Over wat hebt ge het eigenlijk?

Over wat hebt ge het eigenlijk?

Luistert gij eigenlijk wel naar mij?

Luistert gij eigenlijk wel naar mij?

Elke belediging van Joel is eigenlijk een verborgen compliment.

Elke belediging van Joel is eigenlijk een verborgen compliment.

Ze lijkt jong maar eigenlijk is ze ouder dan jij.

Ze lijkt jong maar eigenlijk is ze ouder dan jij.

Ik vind het eigenlijk leuk om je te slaan.

Ik vind het eigenlijk leuk om je te slaan.

Hij denkt dat hij iemand is, maar eigenlijk is hij niemand.

Hij denkt dat hij iemand is, maar eigenlijk is hij niemand.

Ze zei dat haar man haar sloeg maar eigenlijk was het andersom.

Ze zei dat haar man haar sloeg maar eigenlijk was het andersom.


Gerelateerd aan eigenlijk

om de waarheid te zeggen - tenslotte - welbeschouwd - au fond - aufond - de facto - feitelijk - ipso facto - realiter - echt - heus - waar - waarachtig - werkelijk - bestaandheus