Vertaling van fier

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
fier, prat, trots {bn.}
fier
prat
trots {bn.}
fier, trots {bn.}
fier
trots {bn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Hij is fier, muzikant te zijn.

Hij is fier, muzikant te zijn.

Ze zijn fier over hun dochter.

Ze zijn fier over hun dochter.

Ik ben fier op mijn broer.

Ik ben fier op mijn broer.


Gerelateerd aan fier

prat - trots