Vertaling van genegen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
genegen, geneigd, gezind {bn.}
genegen
geneigd
gezind {bn.}
buigen, nijgen, een buiging maken {ww.}
buigen
nijgen
een buiging maken {ww.}

ik heb gebogen
ik had gebogen
ik zal gebogen hebben

ik heb gebogen
ik had gebogen
ik zal gebogen hebben
» meer vervoegingen van buigen

Ik kan mijn handpalmen op de vloer plaatsen zonder mijn knieën te buigen.
Ik kan mijn handpalmen op de vloer plaatsen zonder mijn knieën te buigen.
bereid, genegen {bn.}
bereid
genegen {bn.}
welwillend, coulant, gesteld, goedgezind, goedgunstig, goedwillend, toegenegen, toeschietelijk, welgezind, genegen, tegemoetkomend, minzaam {bn.}
welwillend
coulant
gesteld
goedgezind
goedgunstig
goedwillend
toegenegen
toeschietelijk
welgezind
genegen
tegemoetkomend
minzaam {bn.}
nijgen {ww.}
nijgen {ww.}

ik heb genegen
ik had genegen
ik zal genegen hebben

ik heb genegen
ik had genegen
ik zal genegen hebben
» meer vervoegingen van nijgen