Vertaling van goedkoop
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
goedkoop {bn.}
goedkoop {bn.}
goedkoop, voordelig {bw.}
goedkoop
voordelig {bw.}
voordelig {bw.}
goedkoop, voordelig {bw.}
goedkoop
voordelig {bw.}
voordelig {bw.}
laaggeprijsd, voordelig, goedkoop {bn.}
laaggeprijsd
voordelig
goedkoop {bn.}
voordelig
goedkoop {bn.}
ordinair, goedkoop {bn.}
ordinair
goedkoop {bn.}
goedkoop {bn.}
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Nederlands
Goedkoop
Goedkoop
Goedkoop is duurkoop.
Goedkoop is duurkoop.
Wow! Dat is goedkoop!
Wow! Dat is goedkoop!
Ons eten is goedkoop.
Ons eten is goedkoop.
Deze vis is goedkoop, maar voedzaam.
Deze vis is goedkoop, maar voedzaam.
We overnachtten in een goedkoop hotel.
We overnachtten in een goedkoop hotel.