Vertaling van jaar

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
jaar {zn.}
jaar {zn.}
De wereldbevolking groeit van jaar tot jaar.
De wereldbevolking groeit van jaar tot jaar.
Ik ben 19 jaar.
Ik ben 19 jaar.
jaar, kalenderjaar [o] (het ~) {zn.}
jaar
kalenderjaar [o] (het ~) {zn.}
Ze is eenendertig jaar.
Ze is eenendertig jaar.
Ze is vijf jaar.
Ze is vijf jaar.
jaar, planeetjaar {zn.}
jaar
planeetjaar {zn.}
Ik ben 19 jaar.
Ik ben 19 jaar.
jaar [o] (het ~) {zn.}
jaar [o] (het ~) {zn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

De wereldbevolking groeit van jaar tot jaar.

De wereldbevolking groeit van jaar tot jaar.

Ik ben 19 jaar.

Ik ben 19 jaar.

Ze is eenendertig jaar.

Ze is eenendertig jaar.

Ze is vijf jaar.

Ze is vijf jaar.

Ik ben 19 jaar.

Ik ben 19 jaar.

Welk jaar is het?

Welk jaar is het?

Dit jaar bieden we dezelfde taalcursus aan als vorig jaar.

Dit jaar bieden we dezelfde taalcursus aan als vorig jaar.

Er waren dit jaar minder ongelukken dan vorig jaar.

Er waren dit jaar minder ongelukken dan vorig jaar.

De oorlog duurde twee jaar.

De oorlog duurde twee jaar.

Ik ben achttien jaar oud.

Ik ben achttien jaar oud.

We zijn vijf jaar getrouwd.

We zijn vijf jaar getrouwd.

Ik ben zestien jaar oud.

Ik ben zestien jaar oud.

Hij bezocht Kyoto vorig jaar.

Hij bezocht Kyoto vorig jaar.

Ik ben achttien jaar oud.

Ik ben achttien jaar oud.

Helen is zeventien jaar oud.

Helen is zeventien jaar oud.


Gerelateerd aan jaar

kalenderjaar - planeetjaarperiode - omlooptijd - tijdeenheid