Vertaling van trouw

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
trouw, getrouwheid [v] {zn.}
trouw
getrouwheid [v] {zn.}
Altijd trouw
Altijd trouw
De vertaling is trouw aan het originele.
De vertaling is trouw aan het originele.
trouw, getrouw {bn.}
trouw
getrouw {bn.}
trouw, loyaliteit [v], trouwhartigheid [v], getrouwheid [v] {zn.}
trouw
loyaliteit [v]
trouwhartigheid [v]
getrouwheid [v] {zn.}
Te goeder trouw
Te goeder trouw
Trouw is zeldzaam
Trouw is zeldzaam
loyaal, trouw, getrouw, trouwhartig {bn.}
loyaal
trouw
getrouw
trouwhartig {bn.}
trouw [m] (de ~), loyaliteit [v] (de ~), getrouwheid {zn.}
trouw [m] (de ~)
loyaliteit [v] (de ~)
getrouwheid {zn.}
Deugd, eenheid en trouw
Deugd, eenheid en trouw
trouw {bn.}
trouw {bn.}
trouw, loyaal, getrouw {bn.}
trouw
loyaal
getrouw {bn.}
trouwen, in de echt verbinden {ww.}
trouwen
in de echt verbinden {ww.}

ik trouw
jij trouwt
hij/zij/het trouwt

ik trouw
jij trouwt
hij/zij/het trouwt
» meer vervoegingen van trouwen

Rond welke leeftijd trouwen Japanners?
Rond welke leeftijd trouwen Japanners?
Ze gaan trouwen in juni.
Ze gaan trouwen in juni.
trouwen, in het huwelijk treden {ww.}
trouwen
in het huwelijk treden {ww.}

ik trouw
jij trouwt
hij/zij/het trouwt

ik trouw
jij trouwt
hij/zij/het trouwt
» meer vervoegingen van trouwen

Haar oudste dochter ging trouwen.
Haar oudste dochter ging trouwen.
Wil je met me trouwen?
Wil je met me trouwen?
trouwen, uithuwelijken, in de echt verbinden {ww.}
trouwen
uithuwelijken
in de echt verbinden {ww.}

ik trouw
jij trouwt
hij/zij/het trouwt

ik trouw
jij trouwt
hij/zij/het trouwt
» meer vervoegingen van trouwen

Ik wil met je trouwen.
Ik wil met je trouwen.
trouwen, in het huwelijk treden {ww.}
trouwen
in het huwelijk treden {ww.}

ik trouw
jij trouwt
hij/zij/het trouwt

ik trouw
jij trouwt
hij/zij/het trouwt
» meer vervoegingen van trouwen

trouwen, uithuwelijken, in de echt verbinden {ww.}
trouwen
uithuwelijken
in de echt verbinden {ww.}

ik trouw
jij trouwt
hij/zij/het trouwt

ik trouw
jij trouwt
hij/zij/het trouwt
» meer vervoegingen van trouwen

in het huwelijk treden, trouwen {ww.}
in het huwelijk treden
trouwen {ww.}

ik trouw
jij trouwt
hij/zij/het trouwt

ik trouw
jij trouwt
hij/zij/het trouwt
» meer vervoegingen van trouwen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Altijd trouw

Altijd trouw

De vertaling is trouw aan het originele.

De vertaling is trouw aan het originele.

Te goeder trouw

Te goeder trouw

Trouw is zeldzaam

Trouw is zeldzaam

Deugd, eenheid en trouw

Deugd, eenheid en trouw

Trouw moet worden onderhouden

Trouw moet worden onderhouden

De naam van een vriend is gewoon, maar zeldzaam is trouw.

De naam van een vriend is gewoon, maar zeldzaam is trouw.