Vertaling van brengen
Inhoud:
Nederlands
Portugees
brengen, dragen, voeren, voorhebben {ww.}
levar
carregar
carregar
aandragen, bezorgen, brengen, aanbrengen {ww.}
trazer
besturen, brengen, leiden, geleiden, voeren {ww.}
levar
guiar
conduzir
guiar
conduzir
Teveel stress kan tot een handicap leiden.
Muito estresse pode levar à doença física.
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Portugees
Ik zal u direct de rekening brengen.
Trarei a conta imediatamente.
Tom en Mary brengen veel tijd samen door.
Tom e Mary passam muito tempo juntos.