Vertaling van geloof
Inhoud:
Nederlands
Portugees
geloof {zn.}
crença
religie , geloof, godsdienst {zn.}
religião
Religie is het opium van het volk.
A religião é o ópio do povo.
Religie is het opium van het volk.
A religião é o ópio do povo.
fiducie , geloof, vertrouwen {zn.}
fé
geloven, houden voor, menen {ww.}
acreditar
crer
crer
Ik kan het moeilijk geloven.
Mal posso acreditar.
Het is moeilijk te geloven.
É difícil de acreditar.
achten, geloven, van mening zijn, vinden {ww.}
opinar
ser de opinião
julgar
ser de opinião
julgar
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Portugees
Ik geloof in spoken.
Eu acredito em fantasmas.
Ik geloof niet in God.
Eu não acredito em Deus.
Ik geloof dat het morgen gaat sneeuwen.
Acho que vai nevar amanhã.
Ik geloof niet dat zij het zou verstaan.
Eu não acho que ela entenderia.
Ik geloof Naomi niet; ik denk dat ze liegt.
Eu não acredito em Naomi. Acho que ela está mentindo.