Vertaling van uitgaan

Inhoud:

Nederlands
Portugees
uitgaan, uitkomen, uitlopen, uitstappen, uitstijgen, uittreden {ww.}
sair
aflopen, eindigen, ophouden, uitgaan, uitlopen, uitraken, verlopen {ww.}
terminar
acabar
doven, uitgaan, uitdoven, uitsterven {ww.}
extinguir-se
apagar-se