Vertaling van vrij

Inhoud:

Nederlands
Portugees
los, onbelemmerd, onbezet, open, vlot, vrij, vrijgesteld {bn.}
livre
frank, ongegeneerd, ongedwongen, vrij, vrijmoedig, vrijpostig {bn.}
desembaraçado
íntima
sem-cerimônia
basta, genoeg, nogal, tamelijk, vrij, voldoende {bw.}
assaz
bastante
basta
chega
sex bedrijven, sex hebben, vrijen {ww.}
amar sexualmente
het hof maken, scharrelen, vrijen {ww.}
namorar
galantear

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Portugees

Ik ben vrij op zondag.

Estou livre no domingo.

De Japanse economie ontwikkelde zich vrij snel.

A economia japonesa desenvolveu-se rapidamente.

Dat is iets dat vrij vaak gebeurt.

Isso é algo que acontece frequentemente.

Hij beval hen om de gevangenen vrij te laten.

Ele ordenou-os que libertassem os prisioneiros.

Ik werkte op zondag, dus ik had maandag vrij.

Eu trabalhei no domingo, então tive a segunda de folga.