Vertaling van getrouwd

Inhoud:

Nederlands
Zweeds
gehuwd, getrouwd {bn.}
gift
in het huwelijk treden, trouwen {ww.}
gifta sig
in het huwelijk treden, trouwen {ww.}
gifta sig


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Zweeds

Is zij getrouwd?

Är hon gift?

We zijn vijf jaar getrouwd.

Vi har varit gifta i fem år.

Ik ben getrouwd en heb twee kinderen.

Jag är gift och har två barn.

Zijn oudere zus is afgelopen maand getrouwd.

Hennes storasyster gifte sig förra månaden.


Gerelateerd aan getrouwd

gehuwd - in het huwelijk treden - trouwen