Vertaling van zij

Inhoud:

Nederlands
Zweeds
zij [v], zijde [v] {zn.}
silke
siden
flank [v], zij [v], kant [m], zijde [v], zijkant {zn.}
kant
sida
flank
ze, zij {pers. vnw.}
hon


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Zweeds

Is zij getrouwd?

Är hon gift?

Zij fronste haar wenkbrouwen.

Hon rynkade pannan.

Zij werd kwaad.

Hon blev arg.

Zij is sterk.

Hon är stark.

Weet je wie zij is?

Vet du vem hon är?

"Zij houdt van muziek." "Ik ook."

"Hon gillar musik." "Det gör jag med."

Hij is drie jaar ouder dan zij.

Han är tre år äldre än henne.

Ik denk niet dat zij het zou verstaan.

Jag tror inte att hon skulle förstå det.

Hij is drie jaar ouder dan zij is.

Han är tre år äldre än hon.


Gerelateerd aan zij

zijde - flank - kant - zijkant - ze