Vertaling van ele

Inhoud:

Portugees
Nederlands
ele {pers. vnw.}
hij
'ie
ela, ele {pers. vnw.}
't
het 

Voorbeelden in zinsverband

Portugees
Nederlands

Não fale com ele enquanto ele dirige.

Niet tegen hem praten terwijl hij rijdt.

Ele bateu à porta.

Hij klopte op de deur.

Ele mantém sua palavra.

Hij houdt zich aan zijn woord.

Ele tem outro filho.

Hij heeft nog een zoon.

Ele já disse sim.

Hij heeft al ja gezegd.

Ele vem logo.

Hij komt snel.

Ele fala inglês?

Spreekt hij Engels?

Ele tem um cachorro.

Hij heeft een hond.

Ele continua me surpreendendo.

Hij verrast mij telkens weer.

Ele bateu à porta.

Hij klopte op de deur.

Ele procurou a chave.

Hij zocht naar de sleutel.

Ele tem menos pão.

Hij heeft minder brood.

Ele trabalha num banco.

Hij werkt bij een bank.

Ele tem 12 filhos.

Hij heeft twaalf zoons.

Ele sabe tocar flauta.

Hij kan fluit spelen.


Gerelateerd aan ele

ela