Vertaling van família

Inhoud:

Portugees
Nederlands
família {zn.}
familie  [v]
gezin  [o]
huisgezin [o]
huis  [o]
Somos praticamente da mesma família.
We zijn haast een gezin.
Ela gosta de cozinhar para a família.
Ze kookt graag voor haar gezin.


Voorbeelden in zinsverband

Portugees
Nederlands

Somos praticamente da mesma família.

We zijn haast een gezin.

Eu tirei uma foto da minha família.

Ik nam een foto van mijn familie.

Minha família vive aqui há vinte anos.

Mijn familie woont daar al twintig jaar.

Ela gosta de cozinhar para a família.

Ze kookt graag voor haar gezin.

Sinto saudades de casa quando lembro de minha família.

Ik krijg heimwee als ik aan m'n familie denk.