Vertaling van já

Inhoud:

Portugees
Nederlands
já {bw.}
al
alvast 
reeds 
alreeds


Voorbeelden in zinsverband

Portugees
Nederlands

Já não tenho medo.

Ik ben niet meer bang.

Você já tem filhos?

Heeft u al kinderen?

Já é terça-feira?

Is het al dinsdag?

Já não importa.

Het maakt niet meer uit.

Você já solicitou emprego?

Heb je al eens gesolliciteerd?

Você já comeu peixe cru?

Heeft u ooit rauwe vis gegeten?

Já é Natal na Europa.

In Europa is het al Kerst.

Já não gosto de ti.

Ik vind je niet meer leuk.

Você já esteve na Índia?

Ben jij ooit in India geweest?

Você já esteve na América?

Zijt ge al eens in Amerika geweest?

Ele já é um homem.

Hij is al een man.

Você já o viu nadando?

Heb je hem ooit zien zwemmen?

Você já viu uma baleia?

Hebt ge al een walvis gezien?

Já pode se dar por concluído.

Zo gezegd, zo gedaan.

Você já a ouviu cantar no palco?

Hebt ge haar al horen zingen op een podium?