Vertaling van ontem

Inhoud:

Portugees
Nederlands
ontem {bw.}
gisteren 
gister

Voorbeelden in zinsverband

Portugees
Nederlands

Ontem foi domingo.

Gisteren was het zondag.

Eu ajudei ele ontem.

Ik heb hem gisteren geholpen.

Ontem eu a vi.

Ik heb haar gisteren gezien.

Nós nos divertimos ontem.

Wij hebben ons gisteren geamuseerd.

Eu estava feliz ontem.

Gisteren was ik gelukkig.

Tom não jantou ontem.

Gisteravond heeft Tom geen avondeten gegeten.

Estava calor ontem.

Het was heet gisteren.

Ele faleceu ontem.

Hij is gisteren overleden.

Eu cheguei ontem aqui.

Ik kwam hier gisteren aan.

Você trabalhou ontem?

Heb je gisteren gewerkt?

Estava calor ontem.

Het was heet gisteren.

Eu vi Ken ontem.

Ik heb Ken gisteren ontmoet.

Estava nublado ontem.

Gisteren was het bewolkt.

Ontem dormi às dez.

Gisteren ging ik om 10 uur naar bed.

Estava doente ontem.

Gisteren was ik ziek.