Vertaling van provar

Inhoud:

Portugees
Nederlands
provar, saborear {ww.}
smaken
proeven
atestar, certificar, provar, testemunhar {ww.}
getuigen
certificeren
fazer prova de, demostrar, provar {ww.}
bewijzen
waarmaken
uitwijzen
staven 
adstrueren
aantonen 
Você tem como provar isso?
Kunt u dat bewijzen?
ensaiar, experimentar, provar {ww.}
uitproberen 
toetsen
proberen
aanpassen 
passen
beproeven 
padecer, sofrer, suportar, penar, agüentar, provar, aturar, tolerar {ww.}
verdragen 
velen
uitstaan
ondergaan
lijden 
doorstaan
Suportar pode ser insuportável.
Verdragen kan onverdraaglijk zijn.