Vertaling van vocês
Voorbeelden in zinsverband
Onde todos vocês vivem?
Waar wonen jullie allemaal?
Vocês conseguem ver?
Kan je het zien?
De onde vêm vocês?
Waar kom je vandaan?
Saiam daqui! Todos vocês!
Maak dat je hier wegkomt! Ieder van jullie!
Vocês não estão com sede?
Hebben jullie geen dorst?
Por que vocês estão desenhando flores?
Waarom teken je bloemen?
Vocês gostariam de outro pedaço de bolo?
Wil je nog een stuk cake?
Vocês têm empregados que falam japonês?
Heb je werknemers die Japans spreken?
Vocês podem estar certos sobre isso.
Daarover zou je gelijk kunnen hebben.
O que vocês acham do Japão?
Wat denk je van Japan?
Vocês sabem a quem pertence esse carro?
Weten jullie van wie deze auto is?
Nós dois sabemos que vocês dois estão mentindo.
Wij tweeën weten dat jullie tweeën liegen.
O que vocês fazem durante o seu tempo livre?
Wat doet gij in uw vrije tijd?
Como nós amamos vocês, nós estamos atualizando o Tatoeba para lhes trazer uma experiência de usuário melhor. Viram? A gente ama vocês, hein?
Omdat we van jullie houden, zijn we Tatoeba aan het updaten om jullie een betere gebruikerservaring te geven. Zien jullie wel? We houden van jullie, hè?