Vertaling van du

Inhoud:

Zweeds
Nederlands
du, ni {pers. vnw.}
u 
je
jij 
ge
gij
jullie
gijlieden
gijlui
gelui
jelui
jou
du {pers. vnw.}
je
jij 
ge
gij

Voorbeelden in zinsverband

Zweeds
Nederlands

Skämtar du?

Ben je gek?

Du måste skörda det du har sått.

Wat je zaait, zul je oogsten.

Du kan välja vilken du vill.

U kunt kiezen welke je wilt.

Var fann du Tom?

Waar heb je Tom gevonden?

Vill du följa med?

Wil je meekomen?

Förstår du mig?

Begrijp je me?

Är du upptagen?

Ben je bezig?

Du pratar för mycket.

Je praat teveel.

Vad lagar du?

Wat zijn jullie aan het koken?

Varifrån kommer du?

Waar kom je vandaan?

Varför frågar du?

Waarom vraagt u dat?

Vad gjorde du?

Wat was je aan het doen?

Kan du bevisa det?

Kunt u dat bewijzen?

Minns du det?

Weet je nog?

Gör vad du vill.

Doe wat je wil.


Gerelateerd aan du

ni