Vertaling van ensam

Inhoud:

Zweeds
Nederlands
ensam {bn.}
alleen 
enig 
louter
verlaten
ensam
eenzaam
alleen
enkel
afgezonderd
afgescheiden
ensam
alleen
allenig
afgezonderd

Voorbeelden in zinsverband

Zweeds
Nederlands

En olycka kommer sällan ensam.

Een ongeluk komt zelden alleen.

Tom kände sig väldigt ensam.

Tom voelde zich erg eenzaam.

Det är för att du inte vill vara ensam.

Dat is omdat je niet alleen wilt zijn.