Vertaling van hon

Inhoud:

Zweeds
Nederlands
hon {pers. vnw.}
ze
zij 
han, hon
hij
zij

Voorbeelden in zinsverband

Zweeds
Nederlands

Hon var modig.

Ze was dapper.

Hon blev arg.

Zij werd kwaad.

Hon nekade mitt önskemål.

Ze wees mijn verzoek af.

Hon älskar katter.

Ze houdt van katten.

Hon är en sjuksköterska.

Ze is verpleegster.

Hon är stark.

Zij is sterk.

Imorgon fyller hon år.

Morgen is het haar verjaardag.

Är hon gift?

Is zij getrouwd?

Hon älskar Tom.

Ze houdt van Tom.

Hon rynkade pannan.

Zij fronste haar wenkbrouwen.

Hon bor i Kyoto.

Ze woont in Kyoto.

Hon är min flickvän.

Ze is mijn vriendin.

Är hon Japansk?

Is ze Japans?

Hon övergav sina barn.

Ze heeft haar kinderen in de steek gelaten.

Hon är frånvarande för att hon är sjuk.

Ze is er niet omdat ze ziek is.


Gerelateerd aan hon

han