Vertaling van hus

Inhoud:

Zweeds
Nederlands
hus {zn.}
huis  [o]
geslacht  [o]
pand [o]
familie  [v]
Detta är deras hus.
Dit is hun huis.
Vilket stort hus ni har!
Wat een groot huis heb je!
hus
woning
huis
domicilie
vestiging
woonplaats
verblijf

Voorbeelden in zinsverband

Zweeds
Nederlands

Detta är deras hus.

Dit is hun huis.

Vilket stort hus ni har!

Wat een groot huis heb je!

Han sov över hos hans mosters hus.

Hij bleef in het huis van zijn tante.