Vervoeging van aanbrengen

Onbepaalde wijs (infinitief): aanbrengen
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik breng aan
    • jij brengt aan
    • hij/zij/het brengt aan
    • wij brengen aan
    • jullie brengen aan
    • zij brengen aan
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bracht aan
    • jij bracht aan
    • hij/zij/het bracht aan
    • wij brachten aan
    • jullie brachten aan
    • zij brachten aan
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb aangebracht
    • jij hebt aangebracht
    • hij/zij/het heeft aangebracht
    • wij hebben aangebracht
    • jullie hebben aangebracht
    • zij hebben aangebracht
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had aangebracht
    • jij had aangebracht
    • hij/zij/het had aangebracht
    • wij hadden aangebracht
    • jullie hadden aangebracht
    • zij hadden aangebracht
  • Toekomende tijd I

    • ik zal aanbrengen
    • jij zult aanbrengen
    • hij/zij/het zal aanbrengen
    • wij zullen aanbrengen
    • jullie zullen aanbrengen
    • zij zullen aanbrengen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal aangebracht hebben
    • jij zult aangebracht hebben
    • hij/zij/het zal aangebracht hebben
    • wij zullen aangebracht hebben
    • jullie zullen aangebracht hebben
    • zij zullen aangebracht hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou aanbrengen
    • jij zou aanbrengen
    • hij/zij/het zou aanbrengen
    • wij zouden aanbrengen
    • jullie zouden aanbrengen
    • zij zouden aanbrengen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben aangebracht
    • jij zou hebben aangebracht
    • hij/zij/het zou hebben aangebracht
    • wij zouden hebben aangebracht
    • jullie zouden hebben aangebracht
    • zij zouden hebben aangebracht
  • Imperatief

    • jij breng aan
    • jullie brengt aan

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van aanbrengen