Vervoeging van aaneensluiten

Onbepaalde wijs (infinitief): aaneensluiten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik sluit aaneen
    • jij sluit aaneen
    • hij/zij/het sluit aaneen
    • wij sluiten aaneen
    • jullie sluiten aaneen
    • zij sluiten aaneen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik sloot aaneen
    • jij sloot aaneen
    • hij/zij/het sloot aaneen
    • wij sloten aaneen
    • jullie sloten aaneen
    • zij sloten aaneen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb aaneengesloten
    • jij hebt aaneengesloten
    • hij/zij/het heeft aaneengesloten
    • wij hebben aaneengesloten
    • jullie hebben aaneengesloten
    • zij hebben aaneengesloten
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had aaneengesloten
    • jij had aaneengesloten
    • hij/zij/het had aaneengesloten
    • wij hadden aaneengesloten
    • jullie hadden aaneengesloten
    • zij hadden aaneengesloten
  • Toekomende tijd I

    • ik zal aaneensluiten
    • jij zult aaneensluiten
    • hij/zij/het zal aaneensluiten
    • wij zullen aaneensluiten
    • jullie zullen aaneensluiten
    • zij zullen aaneensluiten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal aaneengesloten hebben
    • jij zult aaneengesloten hebben
    • hij/zij/het zal aaneengesloten hebben
    • wij zullen aaneengesloten hebben
    • jullie zullen aaneengesloten hebben
    • zij zullen aaneengesloten hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou aaneensluiten
    • jij zou aaneensluiten
    • hij/zij/het zou aaneensluiten
    • wij zouden aaneensluiten
    • jullie zouden aaneensluiten
    • zij zouden aaneensluiten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben aaneengesloten
    • jij zou hebben aaneengesloten
    • hij/zij/het zou hebben aaneengesloten
    • wij zouden hebben aaneengesloten
    • jullie zouden hebben aaneengesloten
    • zij zouden hebben aaneengesloten
  • Imperatief

    • jij sluit aaneen
    • jullie sluit aaneen