Vervoeging van aanschieten

Onbepaalde wijs (infinitief): aanschieten

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik schiet aan
    • jij schiet aan
    • hij/zij/het schiet aan
    • wij schieten aan
    • jullie schieten aan
    • zij schieten aan
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik schoot aan
    • jij schoot aan
    • hij/zij/het schoot aan
    • wij schoten aan
    • jullie schoten aan
    • zij schoten aan
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb aangeschoten
    • jij hebt aangeschoten
    • hij/zij/het heeft aangeschoten
    • wij hebben aangeschoten
    • jullie hebben aangeschoten
    • zij hebben aangeschoten
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had aangeschoten
    • jij had aangeschoten
    • hij/zij/het had aangeschoten
    • wij hadden aangeschoten
    • jullie hadden aangeschoten
    • zij hadden aangeschoten
  • Toekomende tijd I

    • ik zal aanschieten
    • jij zult aanschieten
    • hij/zij/het zal aanschieten
    • wij zullen aanschieten
    • jullie zullen aanschieten
    • zij zullen aanschieten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal aangeschoten hebben
    • jij zult aangeschoten hebben
    • hij/zij/het zal aangeschoten hebben
    • wij zullen aangeschoten hebben
    • jullie zullen aangeschoten hebben
    • zij zullen aangeschoten hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou aanschieten
    • jij zou aanschieten
    • hij/zij/het zou aanschieten
    • wij zouden aanschieten
    • jullie zouden aanschieten
    • zij zouden aanschieten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben aangeschoten
    • jij zou hebben aangeschoten
    • hij/zij/het zou hebben aangeschoten
    • wij zouden hebben aangeschoten
    • jullie zouden hebben aangeschoten
    • zij zouden hebben aangeschoten
  • Imperatief

    • jij schiet aan
    • jullie schiet aan

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van aanschieten