Vervoeging van aanstrijken

Onbepaalde wijs (infinitief): aanstrijken
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik strijk aan
    • jij strijkt aan
    • hij/zij/het strijkt aan
    • wij strijken aan
    • jullie strijken aan
    • zij strijken aan
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik streek aan
    • jij streek aan
    • hij/zij/het streek aan
    • wij streken aan
    • jullie streken aan
    • zij streken aan
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb aangestreken
    • jij hebt aangestreken
    • hij/zij/het heeft aangestreken
    • wij hebben aangestreken
    • jullie hebben aangestreken
    • zij hebben aangestreken
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had aangestreken
    • jij had aangestreken
    • hij/zij/het had aangestreken
    • wij hadden aangestreken
    • jullie hadden aangestreken
    • zij hadden aangestreken
  • Toekomende tijd I

    • ik zal aanstrijken
    • jij zult aanstrijken
    • hij/zij/het zal aanstrijken
    • wij zullen aanstrijken
    • jullie zullen aanstrijken
    • zij zullen aanstrijken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal aangestreken hebben
    • jij zult aangestreken hebben
    • hij/zij/het zal aangestreken hebben
    • wij zullen aangestreken hebben
    • jullie zullen aangestreken hebben
    • zij zullen aangestreken hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou aanstrijken
    • jij zou aanstrijken
    • hij/zij/het zou aanstrijken
    • wij zouden aanstrijken
    • jullie zouden aanstrijken
    • zij zouden aanstrijken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben aangestreken
    • jij zou hebben aangestreken
    • hij/zij/het zou hebben aangestreken
    • wij zouden hebben aangestreken
    • jullie zouden hebben aangestreken
    • zij zouden hebben aangestreken
  • Imperatief

    • jij strijk aan
    • jullie strijkt aan

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van aanstrijken