Vervoeging van aansturen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik stuur aan
    • jij stuurt aan
    • hij/zij/het stuurt aan
    • wij sturen aan
    • jullie sturen aan
    • zij sturen aan
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik stuurde aan
    • jij stuurde aan
    • hij/zij/het stuurde aan
    • wij stuurden aan
    • jullie stuurden aan
    • zij stuurden aan
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb aangestuurd
    • jij hebt aangestuurd
    • hij/zij/het heeft aangestuurd
    • wij hebben aangestuurd
    • jullie hebben aangestuurd
    • zij hebben aangestuurd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had aangestuurd
    • jij had aangestuurd
    • hij/zij/het had aangestuurd
    • wij hadden aangestuurd
    • jullie hadden aangestuurd
    • zij hadden aangestuurd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal aansturen
    • jij zult aansturen
    • hij/zij/het zal aansturen
    • wij zullen aansturen
    • jullie zullen aansturen
    • zij zullen aansturen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal aangestuurd hebben
    • jij zult aangestuurd hebben
    • hij/zij/het zal aangestuurd hebben
    • wij zullen aangestuurd hebben
    • jullie zullen aangestuurd hebben
    • zij zullen aangestuurd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou aansturen
    • jij zou aansturen
    • hij/zij/het zou aansturen
    • wij zouden aansturen
    • jullie zouden aansturen
    • zij zouden aansturen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben aangestuurd
    • jij zou hebben aangestuurd
    • hij/zij/het zou hebben aangestuurd
    • wij zouden hebben aangestuurd
    • jullie zouden hebben aangestuurd
    • zij zouden hebben aangestuurd
  • Imperatief

    • jij stuur aan
    • jullie stuurt aan

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van aansturen