Vervoeging van aanwakkeren

Onbepaalde wijs (infinitief): aanwakkeren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik wakker aan
    • jij wakkert aan
    • hij/zij/het wakkert aan
    • wij wakkeren aan
    • jullie wakkeren aan
    • zij wakkeren aan
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik wakkerde aan
    • jij wakkerde aan
    • hij/zij/het wakkerde aan
    • wij wakkerden aan
    • jullie wakkerden aan
    • zij wakkerden aan
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb aangewakkerd
    • jij hebt aangewakkerd
    • hij/zij/het heeft aangewakkerd
    • wij hebben aangewakkerd
    • jullie hebben aangewakkerd
    • zij hebben aangewakkerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had aangewakkerd
    • jij had aangewakkerd
    • hij/zij/het had aangewakkerd
    • wij hadden aangewakkerd
    • jullie hadden aangewakkerd
    • zij hadden aangewakkerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal aanwakkeren
    • jij zult aanwakkeren
    • hij/zij/het zal aanwakkeren
    • wij zullen aanwakkeren
    • jullie zullen aanwakkeren
    • zij zullen aanwakkeren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal aangewakkerd hebben
    • jij zult aangewakkerd hebben
    • hij/zij/het zal aangewakkerd hebben
    • wij zullen aangewakkerd hebben
    • jullie zullen aangewakkerd hebben
    • zij zullen aangewakkerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou aanwakkeren
    • jij zou aanwakkeren
    • hij/zij/het zou aanwakkeren
    • wij zouden aanwakkeren
    • jullie zouden aanwakkeren
    • zij zouden aanwakkeren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben aangewakkerd
    • jij zou hebben aangewakkerd
    • hij/zij/het zou hebben aangewakkerd
    • wij zouden hebben aangewakkerd
    • jullie zouden hebben aangewakkerd
    • zij zouden hebben aangewakkerd
  • Imperatief

    • jij wakker aan
    • jullie wakkert aan

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van aanwakkeren