Vervoeging van absolveren

Onbepaalde wijs (infinitief): absolveren
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik absolveer
    • jij absolveert
    • hij/zij/het absolveert
    • wij absolveren
    • jullie absolveren
    • zij absolveren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik absolveerde
    • jij absolveerde
    • hij/zij/het absolveerde
    • wij absolveerden
    • jullie absolveerden
    • zij absolveerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geabsolveerd
    • jij hebt geabsolveerd
    • hij/zij/het heeft geabsolveerd
    • wij hebben geabsolveerd
    • jullie hebben geabsolveerd
    • zij hebben geabsolveerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geabsolveerd
    • jij had geabsolveerd
    • hij/zij/het had geabsolveerd
    • wij hadden geabsolveerd
    • jullie hadden geabsolveerd
    • zij hadden geabsolveerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal absolveren
    • jij zult absolveren
    • hij/zij/het zal absolveren
    • wij zullen absolveren
    • jullie zullen absolveren
    • zij zullen absolveren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geabsolveerd hebben
    • jij zult geabsolveerd hebben
    • hij/zij/het zal geabsolveerd hebben
    • wij zullen geabsolveerd hebben
    • jullie zullen geabsolveerd hebben
    • zij zullen geabsolveerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou absolveren
    • jij zou absolveren
    • hij/zij/het zou absolveren
    • wij zouden absolveren
    • jullie zouden absolveren
    • zij zouden absolveren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geabsolveerd
    • jij zou hebben geabsolveerd
    • hij/zij/het zou hebben geabsolveerd
    • wij zouden hebben geabsolveerd
    • jullie zouden hebben geabsolveerd
    • zij zouden hebben geabsolveerd
  • Imperatief

    • jij absolveer
    • jullie absolveert

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van absolveren