Vervoeging van accommoderen

Onbepaalde wijs (infinitief): accommoderen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik accommodeer
    • jij accommodeert
    • hij/zij/het accommodeert
    • wij accommoderen
    • jullie accommoderen
    • zij accommoderen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik accommodeerde
    • jij accommodeerde
    • hij/zij/het accommodeerde
    • wij accommodeerden
    • jullie accommodeerden
    • zij accommodeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geaccommodeerd
    • jij hebt geaccommodeerd
    • hij/zij/het heeft geaccommodeerd
    • wij hebben geaccommodeerd
    • jullie hebben geaccommodeerd
    • zij hebben geaccommodeerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geaccommodeerd
    • jij had geaccommodeerd
    • hij/zij/het had geaccommodeerd
    • wij hadden geaccommodeerd
    • jullie hadden geaccommodeerd
    • zij hadden geaccommodeerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal accommoderen
    • jij zult accommoderen
    • hij/zij/het zal accommoderen
    • wij zullen accommoderen
    • jullie zullen accommoderen
    • zij zullen accommoderen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geaccommodeerd hebben
    • jij zult geaccommodeerd hebben
    • hij/zij/het zal geaccommodeerd hebben
    • wij zullen geaccommodeerd hebben
    • jullie zullen geaccommodeerd hebben
    • zij zullen geaccommodeerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou accommoderen
    • jij zou accommoderen
    • hij/zij/het zou accommoderen
    • wij zouden accommoderen
    • jullie zouden accommoderen
    • zij zouden accommoderen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geaccommodeerd
    • jij zou hebben geaccommodeerd
    • hij/zij/het zou hebben geaccommodeerd
    • wij zouden hebben geaccommodeerd
    • jullie zouden hebben geaccommodeerd
    • zij zouden hebben geaccommodeerd
  • Imperatief

    • jij accommodeer
    • jullie accommodeert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van accommoderen