Vervoeging van achternageven

Onbepaalde wijs (infinitief): achternageven
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik geef achterna
    • jij geeft achterna
    • hij/zij/het geeft achterna
    • wij geven achterna
    • jullie geven achterna
    • zij geven achterna
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik gaf achterna
    • jij gaf achterna
    • hij/zij/het gaf achterna
    • wij gaven achterna
    • jullie gaven achterna
    • zij gaven achterna
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb achternagegeven
    • jij hebt achternagegeven
    • hij/zij/het heeft achternagegeven
    • wij hebben achternagegeven
    • jullie hebben achternagegeven
    • zij hebben achternagegeven
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had achternagegeven
    • jij had achternagegeven
    • hij/zij/het had achternagegeven
    • wij hadden achternagegeven
    • jullie hadden achternagegeven
    • zij hadden achternagegeven
  • Toekomende tijd I

    • ik zal achternageven
    • jij zult achternageven
    • hij/zij/het zal achternageven
    • wij zullen achternageven
    • jullie zullen achternageven
    • zij zullen achternageven
  • Toekomende tijd II

    • ik zal achternagegeven hebben
    • jij zult achternagegeven hebben
    • hij/zij/het zal achternagegeven hebben
    • wij zullen achternagegeven hebben
    • jullie zullen achternagegeven hebben
    • zij zullen achternagegeven hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou achternageven
    • jij zou achternageven
    • hij/zij/het zou achternageven
    • wij zouden achternageven
    • jullie zouden achternageven
    • zij zouden achternageven
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben achternagegeven
    • jij zou hebben achternagegeven
    • hij/zij/het zou hebben achternagegeven
    • wij zouden hebben achternagegeven
    • jullie zouden hebben achternagegeven
    • zij zouden hebben achternagegeven
  • Imperatief

    • jij geef achterna
    • jullie geeft achterna