Vervoeging van ademen

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik adem
    • jij ademt
    • hij/zij/het ademt
    • wij ademen
    • jullie ademen
    • zij ademen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik ademde
    • jij ademde
    • hij/zij/het ademde
    • wij ademden
    • jullie ademden
    • zij ademden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geademd
    • jij hebt geademd
    • hij/zij/het heeft geademd
    • wij hebben geademd
    • jullie hebben geademd
    • zij hebben geademd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geademd
    • jij had geademd
    • hij/zij/het had geademd
    • wij hadden geademd
    • jullie hadden geademd
    • zij hadden geademd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal ademen
    • jij zult ademen
    • hij/zij/het zal ademen
    • wij zullen ademen
    • jullie zullen ademen
    • zij zullen ademen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geademd hebben
    • jij zult geademd hebben
    • hij/zij/het zal geademd hebben
    • wij zullen geademd hebben
    • jullie zullen geademd hebben
    • zij zullen geademd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou ademen
    • jij zou ademen
    • hij/zij/het zou ademen
    • wij zouden ademen
    • jullie zouden ademen
    • zij zouden ademen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geademd
    • jij zou hebben geademd
    • hij/zij/het zou hebben geademd
    • wij zouden hebben geademd
    • jullie zouden hebben geademd
    • zij zouden hebben geademd
  • Imperatief

    • jij adem
    • jullie ademt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van ademen