Vervoeging van adstrueren

Onbepaalde wijs (infinitief): adstrueren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik adstrueer
    • jij adstrueert
    • hij/zij/het adstrueert
    • wij adstrueren
    • jullie adstrueren
    • zij adstrueren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik adstrueerde
    • jij adstrueerde
    • hij/zij/het adstrueerde
    • wij adstrueerden
    • jullie adstrueerden
    • zij adstrueerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geadstrueerd
    • jij hebt geadstrueerd
    • hij/zij/het heeft geadstrueerd
    • wij hebben geadstrueerd
    • jullie hebben geadstrueerd
    • zij hebben geadstrueerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geadstrueerd
    • jij had geadstrueerd
    • hij/zij/het had geadstrueerd
    • wij hadden geadstrueerd
    • jullie hadden geadstrueerd
    • zij hadden geadstrueerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal adstrueren
    • jij zult adstrueren
    • hij/zij/het zal adstrueren
    • wij zullen adstrueren
    • jullie zullen adstrueren
    • zij zullen adstrueren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geadstrueerd hebben
    • jij zult geadstrueerd hebben
    • hij/zij/het zal geadstrueerd hebben
    • wij zullen geadstrueerd hebben
    • jullie zullen geadstrueerd hebben
    • zij zullen geadstrueerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou adstrueren
    • jij zou adstrueren
    • hij/zij/het zou adstrueren
    • wij zouden adstrueren
    • jullie zouden adstrueren
    • zij zouden adstrueren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geadstrueerd
    • jij zou hebben geadstrueerd
    • hij/zij/het zou hebben geadstrueerd
    • wij zouden hebben geadstrueerd
    • jullie zouden hebben geadstrueerd
    • zij zouden hebben geadstrueerd
  • Imperatief

    • jij adstrueer
    • jullie adstrueert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van adstrueren