Vervoeging van afhalen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik haal af
    • jij haalt af
    • hij/zij/het haalt af
    • wij halen af
    • jullie halen af
    • zij halen af
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik haalde af
    • jij haalde af
    • hij/zij/het haalde af
    • wij haalden af
    • jullie haalden af
    • zij haalden af
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb afgehaald
    • jij hebt afgehaald
    • hij/zij/het heeft afgehaald
    • wij hebben afgehaald
    • jullie hebben afgehaald
    • zij hebben afgehaald
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had afgehaald
    • jij had afgehaald
    • hij/zij/het had afgehaald
    • wij hadden afgehaald
    • jullie hadden afgehaald
    • zij hadden afgehaald
  • Toekomende tijd I

    • ik zal afhalen
    • jij zult afhalen
    • hij/zij/het zal afhalen
    • wij zullen afhalen
    • jullie zullen afhalen
    • zij zullen afhalen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal afgehaald hebben
    • jij zult afgehaald hebben
    • hij/zij/het zal afgehaald hebben
    • wij zullen afgehaald hebben
    • jullie zullen afgehaald hebben
    • zij zullen afgehaald hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou afhalen
    • jij zou afhalen
    • hij/zij/het zou afhalen
    • wij zouden afhalen
    • jullie zouden afhalen
    • zij zouden afhalen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben afgehaald
    • jij zou hebben afgehaald
    • hij/zij/het zou hebben afgehaald
    • wij zouden hebben afgehaald
    • jullie zouden hebben afgehaald
    • zij zouden hebben afgehaald
  • Imperatief

    • jij haal af
    • jullie haalt af

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van afhalen