Vervoeging van afkomen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik kom af
    • jij komt af
    • hij/zij/het komt af
    • wij komen af
    • jullie komen af
    • zij komen af
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik kwam af
    • jij kwam af
    • hij/zij/het kwam af
    • wij kwamen af
    • jullie kwamen af
    • zij kwamen af
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik ben afgekomen
    • jij bent afgekomen
    • hij/zij/het is afgekomen
    • wij zijn afgekomen
    • jullie zijn afgekomen
    • zij zijn afgekomen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik was afgekomen
    • jij was afgekomen
    • hij/zij/het was afgekomen
    • wij waren afgekomen
    • jullie waren afgekomen
    • zij waren afgekomen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal afkomen
    • jij zult afkomen
    • hij/zij/het zal afkomen
    • wij zullen afkomen
    • jullie zullen afkomen
    • zij zullen afkomen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal afgekomen zijn
    • jij zult afgekomen zijn
    • hij/zij/het zal afgekomen zijn
    • wij zullen afgekomen zijn
    • jullie zullen afgekomen zijn
    • zij zullen afgekomen zijn
  • Conditionalis I

    • ik zou afkomen
    • jij zou afkomen
    • hij/zij/het zou afkomen
    • wij zouden afkomen
    • jullie zouden afkomen
    • zij zouden afkomen
  • Conditionalis II

    • ik zou zijn afgekomen
    • jij zou zijn afgekomen
    • hij/zij/het zou zijn afgekomen
    • wij zouden zijn afgekomen
    • jullie zouden zijn afgekomen
    • zij zouden zijn afgekomen
  • Imperatief

    • jij kom af
    • jullie komt af

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van afkomen