Vervoeging van aflaveren

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het laveert af
    • zij laveren af
  • Onvoltooid verleden tijd

    • hij/zij/het laveerde af
    • zij laveerden af
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het heeft afgelaveerd
    • zij hebben afgelaveerd
  • Voltooid verleden tijd

    • hij/zij/het had afgelaveerd
    • zij hadden afgelaveerd
  • Toekomende tijd I

    • hij/zij/het zal aflaveren
    • zij zult aflaveren
  • Toekomende tijd II

    • hij/zij/het zal afgelaveerd hebben
    • zij zult afgelaveerd hebben
  • Conditionalis I

    • hij/zij/het zal aflaveren
    • zij zullen aflaveren
  • Conditionalis II

    • hij/zij/het zal hebben afgelaveerd
    • zij zullen hebben afgelaveerd