Vervoeging van afpassen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik pas af
    • jij past af
    • hij/zij/het past af
    • wij passen af
    • jullie passen af
    • zij passen af
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik paste af
    • jij paste af
    • hij/zij/het paste af
    • wij pasten af
    • jullie pasten af
    • zij pasten af
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb afgepast
    • jij hebt afgepast
    • hij/zij/het heeft afgepast
    • wij hebben afgepast
    • jullie hebben afgepast
    • zij hebben afgepast
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had afgepast
    • jij had afgepast
    • hij/zij/het had afgepast
    • wij hadden afgepast
    • jullie hadden afgepast
    • zij hadden afgepast
  • Toekomende tijd I

    • ik zal afpassen
    • jij zult afpassen
    • hij/zij/het zal afpassen
    • wij zullen afpassen
    • jullie zullen afpassen
    • zij zullen afpassen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal afgepast hebben
    • jij zult afgepast hebben
    • hij/zij/het zal afgepast hebben
    • wij zullen afgepast hebben
    • jullie zullen afgepast hebben
    • zij zullen afgepast hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou afpassen
    • jij zou afpassen
    • hij/zij/het zou afpassen
    • wij zouden afpassen
    • jullie zouden afpassen
    • zij zouden afpassen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben afgepast
    • jij zou hebben afgepast
    • hij/zij/het zou hebben afgepast
    • wij zouden hebben afgepast
    • jullie zouden hebben afgepast
    • zij zouden hebben afgepast
  • Imperatief

    • jij pas af
    • jullie past af

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van afpassen